Op zaterdagmiddag in het SiKweekend november 2017 lag ik kreunend in bed. Griep. Dacht ik. Maar toen de griep weken duurde en ik niet opknapte, bleek er meer aan de hand te zijn. Nadat ik vervolgens maandenlang bezig was met herstellen, viel het kwartje: burn-out. Niet gek als ik bedenk dat ik al een poos in een identiteitscrisis zat en afleiding zocht door van hot naar her te rennen en geen rust te nemen.

Met dat ik op het SiKweekend fysiek instortte, stortte ook mijn geloofsleven in. En dat verweet ik mijzelf. Ik dacht dat het aan mij lag, dat ik teveel bezig was met beter worden en geen ruimte had in mijn hoofd voor God. Ik dacht dat het kwam doordat ik mijzelf inmiddels als lid van het LHBT-clubje beschouwde en ik dat in combinatie met mijn christen-zijn moeilijk vond vorm te geven. Ik dacht dat het kwam doordat ik mijn energieloze situatie niet accepteerde en ik alleen maar frustratie in me had. Ik dacht dat het kwam doordat mijn wil om te geloven niet sterk genoeg was.

Maar het was niet zo dat ik het niet probeerde. Ik wilde juist graag naar de kerk. Zo graag zelfs dat ik me een keer uit bed sleepte en van de onderste treden van de trap viel omdat ik eigenlijk nog te moe was. Terug in bed, huilend, trok ik me in mijzelf terug. God moest het maar accepteren. Zingen, bidden en preek luisteren werd het die dag niet meer.

Ik hield ervan met kringleden te buigen over de Bijbel en vervolgens onze ervaringen met het geloofsleven te delen. Maar hoe was dat mogelijk als ik bij elk gezicht waar ik naar keek, een zwarte vlek zag? Hoe kon ik geïnspireerd worden door mooie boeken als niet eens kon lezen omdat het bewegen van mijn ogen zo’n pijn deed? Hoe kon ik getuigen van Gods goedheid als ik te moe was om het goede te kunnen zien?

Normaal gesproken stapte ik om half zeven uit bed, regelrecht mijn hardloopschoenen in. Ik maakte tijdens het rondje mijn hoofd leeg en praatte met God. Dat was inmiddels niet meer denkbaar, half zeven was ik nog diep in slaap. En sporten? Geen sprake van. Ik had immers al permanente spierpijn en een verhoogde hartslag.

Het lukte me niet meer om elke dag een brief aan God te schrijven in mijn geloofsdagboek, waar ik mijn vragen, angsten, twijfels en dankbaarheden kwijt kon. Het enige wat me nog lukte was een gefrustreerde wens fluisteren dat deze #%*!periode zo snel mogelijk over mocht zijn.

Gods aanwezigheid kon ik niet meer ervaren. Ik moest maar vertrouwen op het fundament van geloof dat ergens diep in mij zat.

Mijn geloofsleven was ingestort en het lag niet aan mij, ik weet inmiddels wel beter. Ik kon niet meer als een normale volwassene functioneren. Ik was aan het overleven; slapen, eten, poepen, plassen, huilen, slapen, eten, etc. Net een baby… Precies zoals mijn lichaam zich in babystaat terugbracht, deed mijn geloofsleven dat ook. Wat verwachten we van een baby? Dat die een actief christen is? Inspirerend is voor anderen? Dat die God looft en prijst? Geniet van wat God geeft? Een baby is daar toch niet toe in staat? Nee, een baby hoeft er alleen maar te zijn, adem te halen, verzorgd te worden, liefde te ontvangen. Het zou me heel wat zelfverwijt bespaard hebben als ik dit inzicht eerder had gehad.

Af en toe gedraagt mijn lichaam zich ineens weer als baby. Gelukkig weet ik dat ik in zulke situaties niet veel hoef. Als ik in de supermarkt sta en me niet kan focussen op het zoeken van een product. Als mijn boodschappenlijstje eindeloos lang lijkt en ik bijna in paniek raak. Dan weet ik dat ik even alleen maar adem hoef te halen.

Als ik in het bos rustig een rondje loop en ineens elk blaadje een prikkel teveel is. Als ik niet weet of het me ooit lukt thuis te komen. Dan weet ik dat ik maar één stap per keer hoef te zetten.

Als ik overdag in bed lig, in foetushouding omdat dat het minste pijn doet, dan weet ik dat ik alleen maar hoef te luisteren naar muziek en alleen maar liefde hoef te ontvangen.
‘I keep fighting voices in my mind that say I’m not enough. Every single lie that tells me I will never measure up. Am I more than just the sum of every high and every low? Remind me once again just who I am because I need to know. You say I am loved, when I can’t feel a thing. You say I am strong, when I think I am weak. You say I am held, when I am falling short. When I don’t belong, You say I am Yours.’

© 2018 SiK | Studenten in Kringen.
Top
Follow us: